Individueel contact zorgt voor maatschappelijk vertrouwen

Elke match tussen mensen is als een klein wonder. Stel je voor wat er gebeurt als er niet één, maar honderden mensen een klik met elkaar ervaren.

Het begint vaak klein. Twee mensen die elkaar nog nooit hebben gezien, schuiven wat ongemakkelijk aan een cafétafel. De een is nog maar net in Nederland, met een hoofd vol formulieren, afwijzingen en nieuwe woorden. De ander kent de stad als zijn broekzak, maar heeft niet eerder uitgebreid met een vluchteling gesproken.

Na een uur zijn de koffiekopjes leeg, is er gelachen om misverstanden, een verhaal verteld over een dorp in Syrië of Eritrea en gaan foto’s van kinderen op een telefoon over en weer.

Na een paar maanden is er misschien een routine: samen naar de markt, een wandeling langs de rivier. Of: een appje als iemand zich rot voelt.

Maatjesorganisaties als Buddy to Buddy draaien om precies dat soort ontmoetingen. Zo koppelt Buddy to Buddy nieuwkomers aan bestaande inwoners. In gemeenten door het hele land, van Groningen tot Breda en van Zeist tot Enschede. Deze koppelingen worden matches genoemd, en zijn nadrukkelijk géén hulpverlener– cliënt‑relaties. Het uitgangspunt is namelijk gelijkwaardig contact.

Dat betekent dat mensen bijvoorbeeld samen gaan koken: Eritrese injera, of Hollandse pannenkoek met stroop. En koffiedrinken: Arabische koffie of Douwe Egberts. Samen een rondje door de regen fietsen, wandelen door de wijk, de markt bezoeken. Of een Nederlandse verjaardag bijwonen, waar iemand zachtjes vraagt wat je hier eigenlijk meebrengt. En wanneer je weer weggaat.

Soms helpt de Nederlandse buddy met een formulier, inloggen in DigiD of een brief van de gemeente, maar dat is bijvangst. Want het contact zélf is het doel. En het effect hiervan is merkbaar. De organisatie volgt al jaren wat deze ontmoetingen teweegbrengen, via enquêtes en gesprekken na afloop van de matchingsrondes.

Buddy’s – nieuwkomers én Nederlanders – vertellen dat ze zich minder eenzaam voelen en meer verbonden zijn met hun omgeving. Ze kijken ook met meer vertrouwen naar de toekomst. Nieuwkomers merken dat hun Nederlands verbetert, dat ze hun weg beter vinden en dat ze zich minder gereduceerd voelen tot ‘vluchteling’. Zich meer als mens gezien voelen.

Nederlanders zeggen dat hun beeld van ‘de vluchteling’ verschuift. Ze zien geen homogene groep meer, maar leren individuele mensen kennen. Mensen met namen, hun eigen humor, irritaties en talenten.

Middel tegen polarisatie

Wat gebeurt er als niet één, maar honderden van dit soort ontmoetingen tegelijk ontstaan in een stad? Wat doet dat met sociale samenhang, met integratie in de samenleving als geheel? Hoe kunnen dit soort relaties helpen tegen polarisatie in onze samenleving?

Voor nieuwkomers zit afstand bijna ingebakken in hun startpositie. Ze komen aan in een land waar taal, humor, routines en ongeschreven regels vreemd zijn. En daar komt bij, dat het debat over migratie verhardt: verkiezingscampagnes draaien op kreten als ‘instroom’ en ‘grenzen dicht’, in talkshows en op sociale media lijkt nuance bijna niet meer mogelijk.

Zodra ergens in Nederland een nieuwe opvanglocatie wordt aangekondigd, volgen snel protesten: spandoeken langs de weg, boze avonden in dorpshuizen, fel geformuleerde petities, verkeersacties. Soms gericht op het plan, soms op de mensen die er komen wonen.

Binnen opvanglocaties zelf heerst vaak ook spanning: jarenlang onzekerheid, overvolle slaapzalen en soms grimmige levensom-
standigheden. Buiten de hekken circuleren ondertussen verhalen die zelden kloppen: dat statushouders alle sociale huurwoningen krijgen, dat criminaliteit automatisch zal toenemen, dat ‘de wijk verandert’.

In zo’n klimaat verliest ‘de vluchteling’ langzaam zijn gezicht en wordt hij of zij een categorie: een leeg omhulsel waarin allerlei angsten kunnen worden geschoven. Het politieke discours doet daar nog een schep bovenop, door te spreken over aantallen en ‘de massa’ – een vorm zonder mens, zonder verhaal. Een anonieme groep waar je je niet toe kunt verhouden.

Daar komt bij dat de samenleving sneller polariseert. De meeste mensen bewegen zich in steeds homogenere bubbels, en de plekken waar dat doorbroken kan worden, cliënt-relaties. Het uitgangspunt is namelijk gelijkwaardig contact.

Dat betekent dat mensen bijvoorbeeld samen gaan koken: Eritrese injera, of Hollandse pannenkoek met stroop. En koffiedrinken: Arabische koffie of Douwe Egberts. Samen een rondje door de regen fietsen, wandelen door de wijk, de markt bezoeken. Of een Nederlandse verjaardag bijwonen, waar iemand zachtjes vraagt wat je hier eigenlijk meebrengt. En wanneer je weer weggaat.

Nederlanders vertellen dat ze zich minder eenzaam voelen en meer verbonden zijn met hun omgeving. Ze kijken ook met meer vertrouwen naar de toekomst. Nieuwkomers merken dat hun Nederlands verbetert, dat ze hun weg beter vinden en dat ze zich minder gereduceerd voelen tot ‘vluchteling’. Zich meer als mens gezien voelen.

Nederlanders zeggen dat hun beeld van ‘de vluchteling’ verschuift. Ze zien geen homogene groep meer, maar leren individuele mensen kennen. Mensen met namen, hun eigen humor, irritaties en talenten.

Bekend maakt bemind

Hoe kunnen we dit proces kantelen? Han Entzinger, socioloog en hoogleraar integratie- en migratiestudies aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, wijst op een hardnekkig patroon dat steeds weer opduikt in verschillende onderzoeken.

‘Anti-migratiepartijen scoren het hoogst in gebieden waar bijna geen migranten wonen,’ zegt hij via een videoverbinding. Zijn toon is bedachtzaam. ‘Wie nooit echte mensen ontmoet, vult dit gat in kennis met beelden.’

In die leegte gedijen abstracte begrippen, zoals ‘de instroom’, ‘de massa’, ‘de gelukszoekers’. Maar deze begrippen leren ons niets over echte mensen, die je leert kennen in echte ontmoetingen.

Volgens Entzinger is dat precies waar sociale initiatieven, zoals Buddy to Buddy, van invloed kunnen zijn. Binnen deze initiatieven kunnen mensen elkaar laagdrempelig en gelijkwaardig ontmoeten, en vormen daarmee een tegenwicht aan de angst beelden waarop veel politieke retoriek drijft.

Die verandering ziet hij al zijn hele loopbaan terug. ‘Je hoort het vaak,’ zegt hij. ‘Alle buitenlanders het land uit, behalve mijn buurman, die is fantastisch.’ Die zin lijkt een grap, maar is volgens Entzinger sociologisch uiterst precies: onbekend maakt onbemind; bekend maakt nieuwsgierig, milder, menselijk.

Als mensen elkaar echt leren kennen, verschuift hun blik. Ze zien niet langer een anoniem collectief, maar een individueel persoon. Iemand met een naam, met een geschiedenis, met kinderen die naar school moeten en met herkenbare zorgen.

‘Dat zie je vooral op kleine schaal,’ benadrukt Entzinger. ‘Zo’n wisseling van perspectief, als twee mensen elkaar echt leren kennen.’

En juist die wisselingen op microniveau hebben gevolgen voor het grote geheel. Ze beïnvloeden hoe mensen reageren op krantenkoppen, stimuleren ze om misverstanden te corrigeren in hun eigen omgeving en waarschijnlijk is zo’n veranderende blik ook van invloed op hoe ze stemmen.

Het klinkt zo logisch, het ontstaan van wederzijds begrip zodra mensen echt in elkaars nabijheid komen. Hoe dat er in de praktijk uitziet, ziet Entzinger het duidelijkst terug in dorpen waar een nieuw asielzoekerscentrum opent. ‘Eerst zijn er protesten, boze bezoekers van informatieavonden, spandoeken. Maar zodra een asielzoekerscentrum er eenmaal staat en mensen elkaar gaan ontmoeten, in de supermarkt, op het schoolplein en bij de voetbalclub, normaliseert hun beeld van elkaar.’

Protesteren vóór azc

In sommige gevallen slaat de houding zelfs helemaal om. In Crailo, in het Gooi, protesteerden buurtbewoners in 2016 niet tegen het azc, maar juist voor het open-
blijven ervan, omdat ze de mensen die er woonden inmiddels kenden, en niet wilden dat de deuren weer zouden sluiten.

En er zijn meer voorbeelden van buurtbewoners die de nieuwkomers juist willen blijven ontmoeten, zoals Plan Einstein in Utrecht.

In de vroege fase ongemak ombuigen

In de onderzoeken van het Kennis-platform Integratie & Samenleving (KIS) wordt polarisatie beschreven als een proces in fasen: van ‘koud’ ongemak en onderhuidse irritaties, tot openlijke incidenten en escalatie.

Polarisatie begint zelden met harde confrontaties. Meestal start dit proces veel eerder, in een koude fase van schurende grapjes, wantrouwen en wij/zij-denken dat langzaam verhardt. Waarbij overtuigingen zoals ‘zij krijgen alles’, ‘zij passen zich niet aan’ en ‘wij mogen niets meer zeggen’ steeds sterker worden.

Maar het goede nieuws is, dat in die vroege fase is nog van alles mogelijk is. KIS laat zien dat interventies juist dán het meeste effect hebben: in wijken en organisaties waar het ‘ongezelliger’ wordt, maar er nog geen zichtbare incidenten plaatsvinden.

In deze fase kun je nog schuiven, door positief contact te organiseren, gedeelde identiteiten te benadrukken (ouder, buurtbewoner, collega), verlies- en angstgevoelens serieus te nemen en het genuanceerde midden actief te versterken. In plaats van alle aandacht naar de hardste roepers te laten gaan.

Betekenisvol contact vergroot empathie

Het mechanisme van verbinding, en de positieve effecten daarvan, is goed onder-
zocht. Al sinds de jaren zestig wijzen sociaalpsychologen op de zogenaamde contacthypothese: betekenisvol contact tussen verschillende groepen vermindert vooroordelen, vergroot empathie en maakt mensen milder.

Die hypothese is sindsdien regelmatig bevestigd, in internationale meta-analyses én in Nederlandse onderzoeken. Mensen die regelmatig contact hebben met vluchtelingen of migranten, denken gemiddeld positiever over migratie dan mensen die die groepen alleen kennen van televisie en sociale media, blijkt uit deze onderzoeken.

Erkenning maakt veerkrachtig

Angst en beeldvorming vormen maar één helft van het verhaal. Want zelfs wanneer vooroordelen verminderen, hoe zorg je ervoor dat mensen zich daadwerkelijk thuis voelen in een samenleving?

Anja Machielse kijkt vanuit een ander perspectief naar deze vraag. Naast emeritus‑hoogleraar Humanisme en Sociale Weerbaarheid aan de Universiteit voor Humanistiek is ze voorzitter van de wetenschappelijke adviescommissie van Eén tegen Eenzaamheid. Zij gebruikt de term ‘sociale ecologie’, ontleend aan de Canadese psycholoog Michael Ungar die ermee beschrijft hoe de fysieke omgeving en de samenleving elkaar beïnvloeden.

Wat binnen dit werkveld ook onderzocht wordt, is of een gemeenschap actief moeite doet om mensen die kwetsbaar of ‘anders’ zijn, erbij te laten horen.

‘Dit gevoel van ‘erbij horen’ veronderstelt sociale waardering en erkenning,’ zegt Machielse. ‘Dat iedereen het gevoel kan hebben: ik mag er zijn. Als je merkt dat je gezien wordt, dat anderen je laten voelen dat je erbij hoort, dan maakt dat je veerkrachtiger.’

Daarmee doelt ze op het voorkomen van wat zij een existentiële vorm van eenzaamheid noemt: niet alleen een gebrek aan sociaal contact ervaren, maar ook het gevoel hebben dat wie jij bent niet past in de omgeving waarin je leeft.

Deze vorm van eenzaamheid ziet ze in haar onderzoek terug bij uiteenlopende groepen: ouderen die in een anoniem appartementencomplex terechtkomen, jongeren die tussen twee culturen laveren, mensen met een geaardheid of levensstijl die niet vanzelfsprekend geaccepteerd wordt.

En zeker ook bij nieuwkomers die zich ineens in een nieuwe wereld, met een nieuwe taal, cultuur en politieke sfeer bevinden. Dergelijke omstandigheden kunnen leiden tot onzekerheid en verwarring, en daagt mensen uit om op nieuwe manieren naar zichzelf te kijken.

Stukjes van jezelf laten zien

Een samenleving die bewust ruimte maakt voor wie anders is, kan dat existentiële gat dichten en wordt zelf minder kwetsbaar voor angst, misverstanden en politieke polarisatie.

Want dat is precies hoe sociale ecologie in de praktijk werkt. Het is niet alleen een abstract begrip, maar iets dat groeit op plekken waar mensen elkaar regelmatig en gelijkwaardig ontmoeten. Dat kan in een buurt, op school, op de werkvloer – óf bij activiteiten die initiatieven als Buddy to Buddy organiseren.

Hoewel Buddy to Buddy in de kern draait om één-op-één‑ontmoetingen, gaat het project in de praktijk om de gemeenschap die al die één‑op‑één‑koppels vormen: groepen van veertig tot soms wel tachtig mensen die samen een traject doorlopen, avonden gezamenlijk doorbrengen, samen in appgroepjes zitten, verjaardagen vieren en picknicken in het park.

Met precies dat soort informele netwerken wordt volgens Machielse het verschil gemaakt.

‘Bij generieke interventies – een cursus voor een hele groep, een informatiebijeenkomst – ontstaat een soort groepsgemiddelde,’ zegt ze. ‘Dan is er minder aandacht voor wie jij als persoon bent. Terwijl voor identiteitsvorming, voor het gevoel dat je mag zijn wie je bent, je juist relaties nodig hebt waarin ruimte is voor jouw persoonlijke verhaal. Identiteitsvorming lukt daardoor veel beter in één‑op‑één‑contact.’

Daarbij is gelijkwaardig contact wel een voorwaarde, en oprechte aandacht voor elkaars verhaal. Want wanneer de ene partij vooral geeft en de ander alleen maar ontvangt, kan snel ongelijkheid in de relatie sluipen.

Volgens emeritus‑hoogleraar Machielse werkt een ontmoeting pas echt als beide mensen ervaren dat ze iets te brengen hebben: een recept, een grap, een herinnering, een andere manier van kijken. Wederkerigheid maakt een relatie niet alleen prettiger, maar zorgt er ook voor dat iemand niet vast komt te zitten in een afhankelijke rol, en zich zo kan ontwikkelen tot een volwaardig deelnemer in de relatie en dus in de gemeenschap.

In haar woorden: ‘Wie wordt aangesproken als volwaardig mens met eigen ideeën, vaardigheden en humor, kan emanciperen.’

Vooroordelen doorbreken

Onderzoek van Movisie, verschenen in 2022, toont net als dat van het eerdergenoemde KIS het effect van hetzelfde mechanisme. Wanneer mensen met verschillende culturele, etnische of religieuze achtergronden sámen aan iets concreets werken – een activiteit organiseren, een maaltijd koken, een sporttoernooi opzetten – of wanneer ze in een ontspannen setting iets persoonlijks delen, ontstaat er sneller vertrouwen.

Dit wordt wederkerige zelfonthulling genoemd. Kleine stukjes van jezelf laten zien, en merken dat de ander dat ook durft. Het is precies dit mechanisme dat vooroordelen afbreekt, de grens tussen ‘wij’ en ‘zij’ dunner maakt en verschillen minder bedreigend laat voelen.

Mensen die je meenemen

Emeritus‑hoogleraar migratie en integratie Han Entzinger is kritisch op het hedendaagse beleid rond inburgering en integratie, juist omdat het sociale relaties zijn die de motor van integratie vormen. Als je tien beleidsmakers vraagt hoe integratie gemeten wordt, zullen de meesten beginnen over taal en werk. ‘Terecht, want zonder taal en inkomen is meedoen moeilijk,’ zegt Entzinger. ‘Maar dat is nog maar de halve waarheid. Wat goede integratie in de eerste plaats vraagt, is rechtszekerheid en veiligheid,’ legt hij uit. ‘Weten waar je aan toe bent, uitzicht hebben op een toekomst.’ Daarna komen taal en werk. En volgens Entzinger gaat de taal leren en werk vinden juist sneller wanneer mensen ingebed raken in sociale netwerken.

‘Je hebt mensen nodig die je meenemen. Bij wie je vragen kunt stellen, die het land als het ware voor je vertalen.’ Entzinger weet waar hij over spreekt: in 1994 schreef hij samen met Arie van der Zwan het rapport Beleidsopvolging minderhedendebat, in opdracht van de toenmalige regering (Paars I), dat de basis zou vormen voor verplichte inburgering in Nederland. Dit inburgeringsbeleid werd vervolgens als voorbeeld gehanteerd door andere Europese landen.

Toegepast op het huidige debat laat zijn rapport van toen ook zien dat integratie nooit alleen een individuele opdracht kan zijn. Het is juist een gezamenlijk proces waarvan de ontvangende samenleving mede‑eigenaar is. Overheden kunnen investeren in infrastructuren die ontmoeting mogelijk maken, zoals buurthuizen, vrijwilligersprojecten en kleinschalige opvang. En ze kunnen in hun communicatie en taalgebruik expliciet maken dat mensen welkom zijn, gezien worden, ertoe doen.

Want in een samenleving waar sociale cohesie steeds zeldzamer wordt, herstellen maatje‑projecten zoals Buddy to Buddy precies wat in deze tijdgeest soms dreigt te verdwijnen: nieuwsgierigheid, verbondenheid, wederkerigheid.

Misschien is dat wel de grootste maatschappelijke betekenis van deze maatjesprojecten. Ze maken tastbaar dat samenleven een dynamisch proces is, waar iedereen aan bijdraagt. Samenleven is geen statische achtergrond waartegen politiek zich afspeelt, maar een vaardigheid. Een vaardigheid die telkens opnieuw wordt beoefend door twee mensen die bereid zijn elkaar te zien. En waarmee twee mensen, vaak zonder het te beseffen, werken aan het fundament van een veerkrachtige samenleving.

Door: Yaghoub Sharhani